Ik ben (g)een koele kikker

Lekker warm van binnen

Onze T. rex was honderd procent reptiel. Maar wel een bijzonder geval: in tegenstelling tot moderne reptielen was ze namelijk niet koudbloedig, maar warmbloedig. Ze warmde haar lichaam niet op in de zon, maar bracht het zelf van binnenuit op temperatuur door in de spieren voedingsstoffen te verbranden dat ze met haar eten binnenkreeg. Warmbloedigheid past ook prima bij het grote lijf. Een koudbloedig dier met zo'n enorm lichaam zou veel te lang nodig hebben om op te warmen met zonnestralen. Om een spiermassa van vier- tot vijfduizend kilo in beweging te krijgen en aan de gang te houden is warmbloedigheid dus een absolute must.

Paleontologen denken dat de lichaamshuishouding van T. rex veel weg had van moderne vogels. Door verbranding van energie in de spiercellen kreeg het lichaam een kerntemperatuur van om en nabij de 40 graden Celsius. Speciale longen met luchtzakken zorgden voor de benodigde toevoer van zuurstof. Luchtzakken zijn een soort blaasbalgen die zowel bij het in- als uitademen zuurstof naar het hart - en dus de spieren - voeren. Een jager met doorstroomlongen komt niet snel in ademnood en tevens verzuren zijn spieren minder gauw.

Vorige infosnack   Volgende infosnack