Hap, slik, weg

Dat lukt wel met een kop van elastiek

Echt kauwen kon onze T. rex niet. Haar tanden waren daar niet geschikt voor. Ze bezaten immers geen platte vlakken waartussen je iets kon pletten. Vlees hoef je ook niet suf te malen. Met rauw vlees weet een dinomaag ook wel raad. T. rex rukte daarom gewoon met grof geweld een grote homp vlees van de prooi. Misschien schudde ze haar kop tegelijkertijd krachtig heen en weer waardoor het gemakkelijker losliet. T. rex heeft niet voor niets zulke sterke nekspieren! Een krokodil doet het net zo. Vervolgens gooide T. rex haar kop in de nek, net als een ooievaar die een kikker heeft gevangen. De zwaartekracht hielp een handje en de vleesbrokken verdwenen in één slok in de keel.

Kleine prooien werden zo in hun geheel verslonden. Ontsnappen was niet mogelijk, want de tanden wezen als weerhaken naar achteren. Een prooi kon maar één kant op: naar binnen, de keel in. Soms kreeg T. rex een prooi te pakken die net een maatje te groot was. Maar ook dat was geen probleem. De kaak- en schedelbotten waren namelijk niet met elkaar vergroeid; ze konden ten opzichte van elkaar bewegen. De kop was dus een beetje elastisch. Zoals een slang een veel te grote prooi op kan eten door zijn kop eromheen te wurmen, zo kon T. rex een prooi naar binnen werken die groter was dan haar eigen kop.

Vorige infosnack   Volgende infosnack